Creatie van geld

Laat ik om te beginnen stellen dat geld, zoals wij dat nu kennen, heel lang geleden niet bestond. Als je iets wilde kopen, dan ruilde je simpelweg iets. Een geit voor een varken.

Het probleem hiermee was dat er enkel geruild kon worden indien jouw ruilpartner daadwerkelijk behoefte had aan hetgeen jij op dat moment ter beschikking had en aanbood. Dat was natuurlijk lang niet altijd het geval en een oplossing was wel zo handig.

Dit zorgde eerst voor het gebruik van (bijvoorbeeld) zeeschelpen of kruiden als vast ruilmiddel. Later werden dit munten. Als mensen de waarde van munten zouden inzien, dan zou het als betaalmiddel gebruikt kunnen worden en dat gebeurde ook.

Van belang is om te begrijpen dat munten op zichzelf geen waarde hebben. Het is een verzinsel dat bestaat in ons hoofd. De enige waarde is de waarde die wij eraan toekennen. De enige reden waarom we munten zijn gaan gebruiken, is dat het vertrouwen er was dat met munten iets gekocht kon worden. Wij gebruiken het, omdat de buurman het gebruikt. De buurman gebruikt het, omdat zijn familie en zijn bedrijf het gebruikt en de overheid geld in rekening brengt in de vorm van belastingen.

Naar economische groei.

Vroeger groeide de economie maar erg langzaam. Dit kwam deels doordat voor groei investeringen noodzakelijk waren en voor investeringen mensen fysiek geld ter beschikking moesten hebben. De meeste mensen hadden dit niet. Het geld bevond zich hoofdzakelijk bij de koning en die gaf het hoofdzakelijk uit aan feesten en oorlogen. Het geld dat hij uitleende was minimaal.

Economieën groeide over het algemeen dus niet hard.

De katalysator voor groei bleek krediet (of leningen) te zijn. De gedachte hierachter was simpel. Als de economie door een gebrek aan fysiek geld voor investeringen niet verder kan groeien, dan creëren we toch een systeem gebaseerd op het uitlenen van geld. Waar voor een aankoop vandaag pas morgen betaald hoeft te worden

Zo gebeurde het dus ook. Dit systeem, gebaseerd op het uitlenen van geld, werkte echter enkel indien er voldoende vertrouwen bestaat dat de schuld daadwerkelijk in de toekomst terugbetaald kan worden. De toekomst moet beter zijn dan het verleden.

In een tijd van oorlogen is er vanzelfsprekend weinig vertrouwen dat schulden terugbetaald zouden worden en werd er dus minder krediet verstrekt. Dit was ook de reden dat er lang geleden weinig krediet verstrekt werd.

Dat veranderde door de jaren heen

Krediet veroorzaakt een economische groei

Krediet heeft een gigantische economische vooruitgang teweeg gebracht in de wereld. Omdat bij het verstrekken van krediet geld niet meer fysiek overhandigd hoefde te worden, kon geld meerdere malen uitgeleend worden. Commerciële banken konden zo geld creëren.

Mensen denken dat als ze nu geld lenen bij de bank, de bank dit geld daadwerkelijk heeft, fysiek of in de vorm van spaargeld van andere mensen. Dit is dus niet helemaal juist.

Commerciële banken en centrale banken creëren geld. Ik zal hieronder beide voorbeelden bespreken.

Commerciële banken creëren geld.

Hoe het werkt is dat banken eenvoudigweg geld creëren binnen de regels die daarvoor door de centrale banken zijn gesteld. De centrale banken vereisen dat een bank een bepaalde reserve in fysiek geld moet aanhouden wil zij krediet kunnen verstrekken. Dit geld is gestald in een kluis bij de bank of bij haar centrale bank.

Als er een vereiste voor een reserve van 10% is, dan betekent dat dat de bank bij een storting van fysiek geld van EUR 100.000 uiteindelijk het tienvoudige kan uitlenen. Dus EUR 1.000.000. Hoe dit achter de schermen er exact aan toe gaat zal ik hier niet bespreken.

Op deze wijze krediet verstrekken voor meer geld dan daadwerkelijk bij de bank ter beschikking is, gaat goed zolang er niet in fysiek geld gehandeld hoeft te worden. Zolang mensen niet massaal fysiek geld bij de bank opnemen.

Wil de bank vervolgens meer uitlenen dan is toegestaan, dan kan de bank dit in theorie enkel doen als meer mensen geld fysiek willen storten of indien de centrale bank de vereiste reserve wijzigt naar een lager percentage.

Het volgende plaatje illustreert goed de leencapaciteit van banken bij verschillende reserve percentages.

Ik schreef hierboven nadrukkelijk in theorie omdat in de praktijk de reserve vereisten initieel niet leidend zullen zijn voor de banken. In de praktijk verstrekken banken eerst leningen aan derden om vervolgens opzoek te gaan naar de nodige reserves.

De bank zal bij haar beslissing om leningen te verstrekken met name kijken naar de winst die zij kan maken ten opzichte van het te lopen risico. Verder zal zij ook naar door de overheid gestelde kapitaal vereisten kijken. De bank moet immers verliezen kunnen dragen en dan nog steeds aan (geld) opname verplichtingen jegens haar klanten kunnen voldoen.

Het risico van dit systeem.

Het risico van dit systeem mag duidelijk zijn. Als veel mensen plotseling fysiek geld opnemen bij een bank (een bank run) dan komt het al snel voor dat de bank niet meer voldoende reserves, laat staan fysiek geld hebben. Dit kan tot de ondergang van de bank leiden. Bovendien bestaan er een systeemrisico. De ondergang van één bank kan leiden tot twijfels omtrent de betrouwbaarheid van andere banken. Banken lenen immers massaal geld aan elkaar uit. Rekeninghouders van deze andere banken kunnen eieren voor hun geld kiezen en ook daar hun geld opnemen.

Hoe de Centrale Banken geld creëren.

Het overgrote deel van het geld in de maatschappij wordt gecreëerd door de commerciële banken door kredietverstrekking. Dit hebben we hierboven kunnen lezen.

De centrale banken kunnen evenwel ook geld creëren. Dit wordt dan kwantitatieve versoepeling (of quantitative easing) genoemd. In Europa hebben we het dan over het Asset Purchase Programme (APP).

Feitelijk koopt de centrale bank dan activa van een commerciële bank, bijvoorbeeld een door een commerciële bank aan een overheid gegeven lening. De centrale bank “betaalt” dan de commerciële bank het oorspronkelijke leenbedrag. Dit doet de centrale bank door bank hiervoor te crediteren in de rekeningen die zij bij de centrale bank aanhouden.

De bank krijgt hierdoor nieuwe financiële ruimte om nieuwe leningen te verstrekken aan het publiek.

Tot slot. Het reserve percentage als middel om de economie te sturen.

Het reserve percentage stelt een grens aan hoeveel fysiek geld banken in kas moeten hebben voor het uitlenen van geld aan derden. De centrale banken kunnen dit percentage verhogen of verlagen.

Verhogen zij het, dan moeten de banken meer fysiek geld aanhouden en kan zij dus minder geld uitlenen. Als er minder geld in omloop is dan verdienen banken minder en wordt de rente hoger.

Het tegenovergestelde is ook waar. Verlagen zij het, dan hoeven de banken minder fysiek geld aan te houden en kan zij daarentegen meer geld uitlenen. Als er meer geld in omloop is (en banken dus ook meer geld verdienen) dan wordt de rente lager.

Op deze manier proberen de centrale banken inflatie te controleren. De centrale banken kunnen ook banken in nood te hulp schieten door soepeler om te gaan met de eis om fysiek geld aan te houden.