Inflatie en deflatie

Inflatie is een aanhoudende stijging van het prijsniveau in de economie. Deflatie is het tegenovergestelde van inflatie, een aanhoudende daling van het prijsniveau. Overheden zoeken altijd een balans. Deflatie is niet goed, maar te veel inflatie ook niet. De prijzen moeten idealiter stabiel groeien met ongeveer 2% groei per jaar. Dat is een percentage waar de meeste centrale banken van overheden het over eens zijn.

Waarom dit percentage?

Achter dit percentage (stabiele) groei zitten verschillende redenen. Een stabiele prijsstijging zorgt bijvoorbeeld voor consumentenvertrouwen waardoor er voor de lange termijn gepland kan worden. Bij volatiele prijzen zullen mensen juist eerder overgaan tot korte termijn denken. Stabiele prijzen dragen ook bij aan sociale cohesie en sociale stabiliteit. Grote prijsstijgingen kunnen daarentegen tot sociale spanningen leiden. Verder is prijssabiliteit beter voor de arme mensen, bij te grote prijsstijgingen zullen zij immers het harst getroffen worden. Er zijn meer redenen maar deze zal ik hier niet bespreken.

Wanneer stijgt het prijsniveau dan?

Kort gezegd, de prijs stijgt als er meer vraag dan aanbod is. Dat wil zeggen als mensen meer bereid zijn iets te kopen. Deze bereidheid is direct gelinkt aan de beschikbaarheid van geld. Lenen banken eenvoudig en tegen lage rente geld uit, dan zal er daardoor meer gekocht worden en zullen de prijzen stijgen. We zien het bijvoorbeeld bij de lage hypotheek rentes. Hierdoor kunnen meer mensen geld lenen om een huis te kopen en stijgen de huizenprijzen.

Het nadeel van te grote prijstijgingen.

Als er meer geld beschikbaar is in een economie dan zullen banken eenvoudiger leningen verstrekken tegen lage rente. Zowel aan consumenten als aan bedrijven. Terwijl consumenten daardoor meer geld gaan uitgeven en de vraag groter wordt, zullen bedrijven proberen aan de groter wordende vraag te voldoen. Zij gaan investeren in mensen en materieel. Dergelijke investeringen leiden doorgaans tot over-investeringen en over-capaciteit. Onbenutte overcapaciteit betekent simpelweg dat het aanbod groter is dan de vraag. Een (activa) bubbel (of zeepbel) is zich dan aan het vormen.

Lees hier meer over het ontstaan van economische bubbels.

Wanneer knapt de bubbel?

Bubbels barsten wanneer de hoge prijs van activa niet meer gerechtvaardigd kan worden door de daadwerkelijke waarde maar enkel nog door het (vaak irreële) gedrag van investeerders. Wanneer er geen investeerders meer zijn om deze hoge prijs te betalen, dan raken investeerders in paniek. Ze zullen dan gaan verkopen waardoor de prijs daalt en de bubbel barst. We zagen dit bijvoorbeeld in de DOT.com bubbel van 2000. De waarde van de technologische bedrijven in kwestie werd meer bepaald door de koopdrang van investeerders dan door een juiste fundamentele analyse van de bedrijven. Investeerders gingen mee in de hype en wilde de boot niet missen. We zagen dat ook met Bitcoin.

Wanneer daalt het prijsniveau?

Het prijsniveau daalt als het aanbod groter is dan de vraag. Dat zien we dus als veel mensen ineens aandelen gaan verkopen of bij onbenutte overcapaciteit. Het prijsniveau daalt ook als er meer concurrentie is uit het buitenland. Dat zien we bijvoorbeeld in het geval van China. Vanwege de lage uurlonen kunnen producten goedkoop in China gemaakt worden om vervolgens (goedkoop) naar het buitenland geïmporteerd te worden. Dit zorgt voor grote concurrentie en zal prijsdruk naar beneden veroorzaken.

De keerzijde van lage prijzen.

Consumenten profiteren van lage prijzen maar er is een belangrijke keerzijde. Bedrijven zullen door de lagere prijzen minder inkomsten hebben. Dat snijdt in de winstgevendheid van een bedrijf en dan wordt het voor deze bedrijven steeds moeilijker om hun leningen terug te kunnen betalen. Er wordt dan gesneden in de kosten en mogelijke faillissementen kunnen volgen. Om aan geld te komen worden vervolgens activa verkocht. Denk bijvoorbeeld aan aandelen of vastgoed. Dit zorgt voor dalende beurzen en een lagere prijs van het vastgoed. Het aanbod is immers groter dan de vraag.

Er zal ingegrepen worden.

De centrale bank zal op dat moment ingrijpen door de kwantiteit van het geld aanwezig in de markt te controleren. Zij zal proberen de economie aan te wakkeren, de vraag moet het aanbod weer gaan overstijgen. Mensen moeten weer meer gaan kopen. Dit zullen zij doen als de rente weer laag is. Als geld weer goedkoop beschikbaar wordt, als banken weer meer kunnen uitlenen.

De centrale bank kan bijvoorbeeld het reserve vereiste van banken naar beneden brengen zodat banken meer ruimte hebben om geld uit te lenen.

Zij kan de rente waartegen commerciële banken bij haar lenen naar beneden bijstellen. Deze lage rente wordt dan doorgegeven aan de consument die daardoor idealiter meer gaat lenen en uitgeven.

Ook kan zij activa van banken overnemen, zoals bijvoorbeeld een lening aan een overheid uitgegeven. Het door de centrale bank aan de commerciële bank te betalen bedrag voor deze activa, zorgt voor meer financiële ruimte zodat vervolgens weer meer geld uitgeleend kan worden.

Al deze manieren kunnen ervoor zorgen dat er meer geld in de markt wordt gepompt. En meer geld betekent lagere rentes. Consumenten zijn dan weer blij en gaan weer huizen en aandelen kopen. De prijzen gaan daardoor weer in de lift. De economie trekt dan weer aan.

Dit althans in het ideale geval.

Alle maatregelen zijn erop gericht om meer geld tegen een lage rente in de markt beschikbaar te hebben. Als dit niet tot meer uitgaven leidt, dan kunnen wellicht nog meer maatregelen genomen worden. Echter, de rente kan maar tot een bepaald punt dalen, tot nul.

Als de prijzen dan verder omlaag gaan en mensen niets uitgeven, dan zal de economie verder krimpen en kan er dus lastiger ingegrepen worden. We zagen dit bijvoorbeeld in de recessie van Japan van de jaren 90. Na een economische bubbel en resulterende prijsdalingen door onbenutte overcapaciteit, werd door de Japanse centrale bank de rente tot nul verlaagd. In theorie had daarmee de vraag en dus de prijs moeten stijgen. Het probleem was evenwel dat investeerders geen interessante investeringsmogelijkheden zagen die de prijs zouden moeten doen laten stijgen. Door de economische bubbel waren de prijzen immers nog te hoog.  

Maar dan moet de bank het geld wel uitlenen aan de consument.

Het feit dat de bank financiële ruimte heeft om geld uit te lenen aan de consument, betekent niet dat zij dit ook daadwerkelijk altijd (volledig) doet. Een obstakel kan simpelweg zijn het ontbreken van goede investeringsmogelijkheden. In een post-bubbel economie dalen de prijzen immers en dan is er minder interesse voor het bieden van (en doen van) investeringen. Het land kan dan gevangen komen te zitten in een recessie. We zagen dit in Japan.

Maar het kan nog erger.

Als ondanks de maatregelen de prijzen blijven dalen, dan kan de beslissing genomen worden om op volle kracht geld te gaan creëren. Dit kan dan in het uitereste geval hyperinflatie tot gevolg hebben. We zien dan bijna dagelijkse prijsstijgingen en het geld wordt in rap tempo minder waard. Spaargeld verdampt dan en spanningen ontstaan die uiteindelijk tot een revolutie kunnen leiden. Extreem rechtse bewegingen kunnen dan vrijspel krijgen zoals we bijvoorbeeld zagen in Duitsland voor de tweede wereld oorlog.

Conclusie.

Inflatie is in tegenstelling tot deflatie eenvoudiger te controleren door de overheid en verdient dan ook de voorkeur. Bij inflatie stijgen de prijzen, de vraag overstijgt dan het aanbod. Veel overheden zien een inflatie van ongeveer 2% per jaar als ideaal. Te hoge prijsstijgingen zorgt echter voor bubbel vorming. Als mensen door paniek of verminderd vertrouwen hun activa plots verkopen dan kan de bubbel knappen. Om de economie weer aan te wakkeren kunnen stimuleringsmaatregelen volgen. Eerst een verlaging van de rente, maar als dat niet werkt geld creatie.  Dat is gevaarlijk omdat geld daardoor snel veel minder waard kan worden met in het ergste geval revoluties tot gevolg.